Mijn hele leven was jij om mij heen,
En nu het zo fijn was, ging jij heen.
Jij zei nog gedag, en keek mij aan,
Je woorden kon ik nog verstaan.
Maar nu zit ik hier alleen aan tafel,
De krant die jij zo graag zat te lezen,
Onaangeroerd aan wie moet ik hem geven.
Maar zeker moet ik verder leven
De kinderen ook met hun grote verdriet,
Maar verder niemand die dat ziet.
Maar vaak zullen zij bij je komen,
Op het mooie plekje onder de bomen.
Je glimlach vergeten wij niet,
Die lag op je gezicht, en zo lief.
Je sterke handen ineen gevouwen,
En dat beeld zullen we zo houwen.
Je afspraken staan voor de jongens sterk,
Net zoals bij jou op je werk.
Alles heb je vooraf geregeld en gedaan,
Een half woord en ik heb je goed verstaan.
Ze komen en gaan, zoals jij dat graag zag,
En er komt al weer voorzichtig een lach.
Praten over jou zullen we nog vaak,
En we zullen nooit zijn uitgepraat.
Maar de leegte die je achterliet,
Dat geeft wel een intens verdriet.
Het enige wat ik had was jij, en hoe!
En al het andere deed er niet toe.
Maar de hechte band die er is, en was,
Die komt ons allen nu van pas.
Jij in je stoel en aan tafel met je krant,
Dat is het beeld wat op mijn netvlies is gebrand.
BEA*

