O, tuin zo wonderschoon,
Dat blijft voor mij altijd een droom.
Als ik dan naar andere tuinen kijk,
Dan denk ik, zie toch eens hoe rijk.
Mooie bakken volle potten,
Daar kan je mooi een hoek mee bedotten.
Een vijver , hoe klein ook en fijn,
Meestal is het water helder en rein.
Vissen spartelen,
En de vogeltjes dartelen.
Maar het echte werk is toch je tuin,
Want daarop ben je echt heel kuin.
Spitten zaaien, wieden.
Gras maaien, en weer inzaaien.
Rustig zitten is er vaak niet bij,
Maar mensenkinderen wat zijn we blij.
Die tuin dat is voor ons een heiligdom.
Maar je rug is wel vaak krom.
Maar O, die tuin.Daar doe je wat voor.
En elk jaar ga je maar door.
Tot je oud wordt en grijs,
En dan zeggen je kinderen ,je bent niet goed wijs.
Maar zelf heb je-je er altijd fijn gevoelt.
En dat is nou wat ik bedoel.
O, die tuin

